Dutch Aviation Systems Analysis Lab, afgekort als DASAL, is onderdeel van het grotere Luchtvaart in Transitie-programma, en loopt tot 2030. Om beter inzicht te krijgen in het verduurzamen van de luchtvaart hebben NLR en TU Delft daarbij eigen simulatiemodellen met elkaar verbonden en laten samenwerken. De demonstratie was erop gericht om een proof of concept te laten zien. “Op dit moment gaat het ons nog niet zozeer om de precieze uitkomsten van onze berekeningen, maar ligt de focus juist op de samenwerking van modellen en onderzoekers. De koppeling van in totaal tien simulatiemodellen van NLR en TU Delft, bedoeld om verschillen tussen huidige vliegtuigen en toekomstige waterstoftoestellen in kaart te brengen, werkte tijdens de demonstratie precies zoals de bedoeling was”, aldus Roalt Aalmoes van NLR en coördinator van het project.
DASAL heeft als doel om verschillende simulatiemodellen rondom toekomstige, duurzamere luchtvaart door te ontwikkelen en op elkaar aan te sluiten. “In de transitie naar klimaatneutrale luchtvaart in 2050 zal er van alles veranderen: het is essentieel om niet alleen nieuwe vliegtuigen te ontwikkelen die op sustainable aviation fuel (SAF) of zelfs op elektriciteit of waterstof vliegen, maar om het luchtvaartsysteem als geheel te beschouwen”, aldus Aalmoes. “Ook hoe we vliegen, hoe we onderhoud uitvoeren en welk beleid dat het beste kan ondersteunen zijn van belang. Onderzoekers rekenen al veel langer aan al die losse elementen; in ons project gaat het er juist om dat we dit koppelen om het totaalplaatje scherper te krijgen”.

Aanwezig bij de demonstratie waren onder andere vertegenwoordigers van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Plaatsvervangend programmamanager Martijn van Langen: “Vanuit het ministerie zien we dergelijke ontwikkelingen als zeer waardevol. Hoewel de toekomst altijd onzeker blijft, kunnen modellen en tools zoals die van DASAL een belangrijke bijdrage leveren aan goed onderbouwde beleidsvorming.”
Vanwege de ambitie om een zo compleet mogelijk beeld te ontwikkelen, trekken NLR en TU Delft nauw met elkaar op. “Op allerlei specifieke gebieden werken we al veel samen. Nieuw is dat we binnen DASAL onze krachten veel breder bundelen, op het totale thema van klimaatneutrale luchtvaart”, zegt Gianfranco La Rocca, die samen met zijn collega Joost Ellerbroek namens de TU Delft het DASAL-project leidt. Naast deze demonstratie werken specialisten in het project aan de doorontwikkeling van verschillende modellen. La Rocca: “Bij de TU Delft werken we veel met promovendi, die zich vier jaar lang op één onderwerp storten. Binnen DASAL zijn momenteel negen promovendi actief en naar verwachting zullen daar voor het einde van het jaar nog drie bijkomen. De meesten zijn inmiddels al ruim een half jaar onderweg, hebben zich goed kunnen inlezen en kunnen nu aan de slag met hun eigen onderzoek. Eén van hen richt zich bijvoorbeeld op het ontwerp van vliegtuigen die gebruikmaken van duurzame energiedragers, zoals waterstof, terwijl een ander onderzoekt wat er op luchthavens nodig is om dit soort nieuwe vliegtuigen goed te kunnen ontvangen. Andere promovendi werken aan modellen om de geluidsemissies en klimaatimpact van toekomstige luchtvaarttechnologieën te voorspellen”.
Bij NLR worden de prioriteiten per jaar gesteld, om sneller in te kunnen spelen op actuele ontwikkelingen. Aalmoes: “Dit jaar kijken we in het bijzonder naar luchtvaart-economische aspecten, de invloed van beleid, en naar de prestaties van nieuwe vliegtuigmotoren.” Zowel NLR als TU Delft besteden in DASAL daarnaast aandacht aan zaken als luchtkwaliteit, stikstofdepositie en geluidhinder.
Bij de selectie van onderzoeksonderwerpen wordt het project bijgestaan door een speciaal gevormde adviesraad, die uit Nederlandse en buitenlandse partijen bestaat. Aalmoes: “Dankzij hun inbreng krijgen we een nog beter beeld van de vragen die bij de verschillende partijen in het luchtvaartecosysteem leven, en waar DASAL in de toekomst een antwoord op zou moeten kunnen geven. Want daar is het ons uiteindelijk om te doen: nu iets bouwen om klaar te zijn voor de vragen van morgen”.

