Martin, wat is de opgave waar de luchtvaart voor staat?
“Europa streeft naar een klimaatneutrale luchtvaartsector. Ondertussen blijft de behoefte om te vliegen groot. Dus eigenlijk is de uitdaging: hoe kunnen we onze welvaart behouden én blijven vliegen, maar wel binnen ecologische en maatschappelijk aanvaardbare grenzen? Tegelijk willen we de concurrentiekracht van Nederlandse bedrijven bevorderen en streven we naar strategische autonomie.”
Wat doet NLR hier zoal voor onderzoek aan?
“Er lopen nu al verschillende projecten waarin onze mensen onderzoeken hoe vliegtuigen in de toekomst op waterstof kunnen vliegen. We bouwen bijvoorbeeld een klein elektrisch vliegtuig om, zodat het zijn energie ook uit vloeibare waterstof kan halen. Binnen het nationale programma Luchtvaart in Transitie – opgericht met Groeifonds-subsidies – loopt het project ICEFlight, waarin we de belangrijkste technologieën ontwikkelen voor het omgaan met vloeibaar waterstof aan boord van toekomstige toestellen. In een ander project – TULIPS – hebben we gekeken welke maatregelen op luchthavens kunnen bijdragen aan een lagere CO2-uitstoot bij reizen.”
Wil dat een beetje vlotten?
“We boeken zeker vooruitgang dankzij, onder meer, die projecten die ik noemde. Maar het gaat natuurlijk nooit snel genoeg, want klimaatverandering schrijdt voort. Het is echt een flinke opgave om de klimaatimpact van de luchtvaart terug te dringen. Des te belangrijker is het dat we nieuwe technologieën blijven ontwikkelen waarmee vliegen minder vervuilend wordt.”
Wat is het nieuws?
“In de vierde ronde van het programma Clean Aviation van de Europese Unie zijn onlangs nieuwe projecten toegekend. Aan tien ervan doen wij als NLR mee, van de elf waarop ingeschreven hadden, een mooie score. Dit succes komt niet uit de lucht vallen, maar hiermee bouwen we voort op het harde werk dat NLR-mensen in eerdere projecten hebben gedaan.
Bij elkaar krijgen deze projecten ongeveer 7,5 miljoen euro subsidie, een budget dat wij als NLR verdubbelen met eigen geld. In de nieuwe projecten, die de komende jaren gaan lopen, gaan we intensief samenwerken met bedrijven en universiteiten. Het onderzoek moet nieuwe kennis en – dat is cruciaal – concrete producten opleveren waarmee de klimaatimpact van vliegen veel lager wordt. Dit vind ik echt de kracht van Europa: als Nederland kunnen wij een deel van dit probleem tackelen, maar de grote oplossingen moeten komen uit Europese samenwerking.”
Kun je een paar voorbeelden geven van projecten?
“We gaan in meerdere projecten werken aan aandrijving voor vliegtuigen met waterstof als energiedrager. Daarbij onderzoeken we twee verschillende routes: je kan het gas verbranden in een straalmotor, maar je kan het ook toevoeren aan brandstofcellen, die er elektriciteit van maken. Een ander project focust op een onderdeel van een supergeleidende elektromotor. Maar met alleen duurzamere vliegtuigen zijn we er nog niet. De toestellen van de toekomst moeten ook kunnen laden en tanken – nieuwe brandstoffen dus – op vliegvelden. Welke operationele uitdagingen er daarbij nog te verwachten zijn gaan we in een ander project uitzoeken.”
Wat kan dit onderzoek nog meer opleveren?
“Het is bij uitstek de rol van NLR om ontwikkelde kennis te laten landen bij bedrijven, die bij tal van de nieuwe projecten worden betrokken. We vinden valorisatie steeds belangrijker: het zorgen dat de ontwikkelde kennis zijn weg vindt naar partners, zodat al dat onderzoek zoveel mogelijk leidt tot florerende bedrijven. Bedrijven die complete vliegtuigen bouwen hebben we in Nederland niet meer (hoewel enkele startups daar weer mee bezig zijn). Maar op een niveau dieper – in de toeleveringsketen – hebben we meerdere goede bedrijven, zoals Aeronamic, Fokker Elmo en GKN, die bij de nieuwe projecten betrokken zijn. Daarnaast willen we bij onze projecten steeds vaker ook bedrijven betrekken die misschien nieuw zijn in de luchtvaartsector, maar die met hun technologieën wel een zinvolle bijdrage kunnen leveren. Denk aan de fabrikanten van specifieke materialen, van elektromotoren of van accupakketten.”

